Unknown-7

Krishnamurti

Dit artikel is reeds eerder geplaatst op   10.10. 2012  op  Antroposofie en Apocalypse : >>antropocalypse.blogspot.nl                   

Unknown-50

Rudolf Steiner

Steiner en Krishnamurti.  -Mary Noothoven van Goor- (1911-2004)

Als men zo’n twintig, vijfentwintig jaar geleden in een antroposofisch gezelschap de naam Krishnamurti uitsprak, wekte dat altijd op zijn zachtst gezegd bevreemding, maar toch vooral ergernis. Die Krishnamurti, dat was toch die Indiase knaap, die door de leiders van de Theosofische Vereniging tot de nieuwe Wereldleraar, tot de op aarde   terugkerende Christus was uitgeroepen? Hij zou de derde incarnatie op aarde moeten worden van de Lord Maitreya, die thans in de Himalaya woonde, maar eerder als Krishna en vervolgens als Jezus op aarde had vertoefd. En dat alles dan op aanwijzing van de Mahatma’s- de Meesters.
Dit, volgens Steiner onaanvaardbare gebeuren, was de oorzaak geweest van zijn breuk met de Theosofische Vereniging. Hij nam zijn ontslag als Secretaris-Generaal en enkele maanden later (in 1911) werd hij ook als lid geroyeerd. En daar kwam weer uit voort, dat in 1912 de Antroposofische Vereniging werd opgericht.
Het suspecte element van de ‘uitverkiezing’ van Krishnamurti werd nog eens op schrijnende wijze bevestigd door het feit dat enkele jaren voor dat de keuze op Krishnamurti viel, al een ander uitverkoren was geweest om het ‘voertuig’ van de Lord Maitreya te worden. Dit was Hubert van Hook, de toen elf jaar oude knappe en intelligente zoon van de secretaris van de Theosofische Vereniging in Amerika, Dr. Weller van Hook. Toen Charles Webster Leadbeater, de grote vertrouweling en inspirator van Annie Besant, in Chicago vertoefde om daar een serie voordrachten voor de Theosofische Vereniging te houden, ontmoette hij Dr. van Hook en zijn zoon en spoedig bleek op wie de Meesters hun keuze hadden laten vallen. Vanzelfsprekend waren de ouders bizonder gevleid dat hun zoon als de komende Wereldleraar zou worden uitgeroepen. Daartoe vertrok hij dan ook op aandrang van Annie Besant, met zijn moeder naar India (Adyar) om daar de opleiding te krijgen die voor dit wonderbaarlijke lot noodzakelijk was. Maar bij hun aankomst bleek, en dat niet terstond, dat de Meesters zich hadden ‘bedacht’. Degenen die op aarde de wensen van de Meesters moesten uitvoeren, waren natuurlijk de leiders van de Theosofische Vereniging, Annie Besant en Charles Leadbeater. Vooral deze laatste was, hoewel zonder twijfel een occult genie, iemand die zich vóór alles door persoonlijke, dus aardse belangen liet leiden en zijn eigen ‘wishful thinking’ maar al te graag voor de bevelen van de Meesters aanzag. Hij was een imposant, heerszuchtig man en ook Annie Besant was zeer van hem afhankelijk.
Mrs. van Hook verdroeg de vernedering die zij en haar zoon moesten ondergaan met gratie. Wat had zij anders moeten doen? Het was Hubert wel toegestaan met Krishnamurti omgang te hebben. Maar hij mocht niet op zijn fiets zitten of zijn tennisracket gebruiken. Leadbeater was er namelijk van overtuigd dat Hubert dermate jaloers op Krishnamurti moest zijn, dat de boze krachten daarvan, wanneer hij dezelfde voorwerpen als Krishnamurti zou hanteren, op deze een nadelige invloed zouden hebben. Op 28 December 1911, toen Krishnamurti zijn eerste grote religieuze inspiratie kreeg, vielen Hubert en zijn moeder met alle anderen in aanbidding voor hem ter aarde.
Na vijf jaar in Adyar te hebben doorgebracht, vertrokken zij weer naar Amerika. Hubert ging studeren in Oxford en na verloop van tijd vestigde hij zich als Officier van Justitie in Chicago. Wel schijnt hij altijd van een diepe bitterheid vervuld te zijn gebleven jegens de Theosofische Vereniging en vooral jegens Leadbeater. Het zou allicht de moeite waard zijn, eens wat meer aandacht te besteden aan het pijnlijk-bizarre lot dat deze jonge man ten deel viel. Afgezien van het feit dat het bizonder veel zegt over de betrouwbaarheid van bepaalde occulte elementen in de Theosofische Vereniging.

Krishnamurti werd in 1909 samen met zijn broertje Nitya, drie jaar jonger dan hij, spelend op het strand van de Indische Oceaan, door Charles Leadbeater ‘ontdekt’. Deze zag om het verwaarloosde, broodmagere kind een zo wonderschone aura, zoals men die bij normale menselijke wezens niet aantreft. Ook bij Nitya was die aura ongewoon, maar toch niet zo uitgesproken als bij Krishnamurti. Het leed dan ook geen twijfel, volgens Leadbeater, of dit kind was voorbestemd om de nieuwe Lord Maitreya te worden, het voertuig van de wederkerende Christus. (Die wederkomst van Christus op aarde in de twintigste eeuw was reeds voorspeld door Helena Petrovna Blavatsky, de stichtster van de Theosofische Vereniging.) Annie Besant was in die tijd in Engeland en hoorde het nieuws pas veel later. Niet eens van Leadbeater persoonlijk, maar van iemand die zojuist in Adyar geweest was en Annie Besant in Londen ontmoette. Waarschijnlijk zat Leadbeater er toch wel een beetje mee, hoe hij nu de afspraak met het eerste ‘voertuig’ moest honoreren. Maar toen Besant na enkele maanden zelf naar India kwam bleek zij even overtuigd en stralend enthousiast als haar grote geestverwant. Thans was het dus de taak van de Theosofische Vereniging om deze verheven plicht op zich te nemen. En alle grote voorbereidselen daartoe moesten nu worden gemaakt.

Van het begin af aan werd besloten om de Nitya en Krishnamurti bij elkaar te laten. Temeer omdat de laatste, die uitgesproken dromerig en traag voor zijn leeftijd was, absoluut niet buiten zijn broertje kon. Deze had een snelle en weerbare natuur en was altijd vol zorg voor de apathische Krishnamurti.
Jiddu Krishnamurti werd in een klein gehucht in de omgeving van Madras geboren. Hij was het achtste kind van een familie die tot een streng Brahmaanse kaste behoorde. Zijn vader die aanvankelijk een positie bij het Britse departement bekleedde, kreeg na zijn pensionering, op eigen verzoek, een klein administratief baantje bij de Theosofische Vereniging. In verband daarmee werd hem een armzalig huisje toegewezen in Adyar, op het terrein van het hoofdkwartier van de Theosofische Vereniging, waarheen hij met de vier hem overgebleven zonen verhuizen moest. Vandaar dat de ontmoeting tussen Leadbeater en de twee knapen aldaar op het strand van de Indische Oceaan kon plaats vinden.

Voor de vader Narianiah, betekende het vanuit zijn Brahmaanse geloofsovertuiging een grote strijd, om twee van zijn zonen aan de Theosofische Vereniging af te staan. Temeer daar bij de Brahmanen, de Europeanen bizonder laag stonden aangeschreven. Zij werden gerangschikt onder de laagste kaste der ‘untouchables’, de onaanraakbaren. Zodra er ook maar een schaduw van een van hen in hun huis naar binnen was gevallen, moest alles tot op de bodem worden gereinigd. Maar tegelijkertijd streelde het zijn ijdelheid in hoge mate dat zijn zonen kennelijk, zij het dan ook om voor hem onbegrijpelijke oorzaken, zo hoog stonden aangeschreven. Krishnamurti werd zelfs een zekere goddelijkheid toegekend.
Tevens zag hij ook heel goed in, dat de kinderen sinds de dood van hun moeder een totaal verwaarloosd bestaan hadden geleid en aan alles te kort waren gekomen. Zodat het feit dat geld noch goed gespaard zouden worden om de jongens een aan hun geestelijke toekomst verplichte eer te bewijzen, een aantrekkelijk vooruitzicht vormde. Dus binnen niet al te lange tijd gaf hij toestemming, opdat althans Annie Besant het tweetal zou adopteren en dat zij in Engeland zouden worden opgeleid.
Maar de vader van het tweetal kreeg spoedig spijt van zijn besluit. Steeds meer geruchten bereikten hem over de homosexuele neigingen van Leadbeater, waarvoor deze jaren geleden in Engeland al eens veroordeeld was geweest. In October 1912 deed hij Annie Besant en Leadbeater een proces aan en eiste de teruggave van zijn kinderen. Dit proces had nog heel wat voeten in de aarde. Men zou denken dat een arm Indiaas ambtenaartje geen schijn van kans zou hebben tegenover de machtige Theosofische Vereniging. Maar een groot deel van de Indiase publieke opinie koos dankzij een bekend dagblad partij voor de vader. En het duurde nog tot Mei 1914, voordat Annie Besant, door manipulaties van sluwe advocaten, het proces won. Van toen af aan was de rol van Naraniah definitief uitgespeeld. De knapen waren inmiddels al jaren uit India weg. Annie Besant was nog wel zo galant om de proceskosten voor haar rekening te nemen, hoewel die formeel door de vader hadden moeten worden betaald.

De unieke tragische levenstocht van twee onafscheidelijken was allang begonnen. Deze tocht voerde de een al spoedig naar de dood. En de ander, Krishnamurti, door deze hartverscheurende slag, op het meedogenloze pad van de zelfkennis.
In 1929 brak hij voor duizenden toehoorders in Nederland (Ommen) in een grootse redevoering als leider van de Orde van de Ster van het Oosten, met zijn reputatie als Wereldleraar en in 1930 met de hele Theosofische Vereniging. En wat mij altijd verbaasd heeft is, dat het feit dat hij hiermee op universeel niveau bevestigde wat Steiner al in 1911 beweerd had, nooit enige aandacht heeft gekregen in Antroposofische kringen.

In het begin waren de leden van de Theosofische Vereniging in Adyar helemaal niet gelukkig met de uitverkiezing van het allerminst aantrekkelijke ‘voertuig’ van de Lord Maitreya. Krishnamurti was, behalve dat hij wonderschone ogen had met zware wimpers, een ziekelijk afstotend-mager kind. Zijn broertje en hij waren zo vervuild dat de luizen tot in hun wenkbrauwen zaten. Daarbij was hij volgens zijn onderwijzer op de rand van imbeciel. Meestal stond hij roerloos te staren met zijn mond open, totdat Leadbeater hem na herhaalde waarschuwingen op een gegeven moment een flinke kaakslag gaf. Maar toen het tweetal onder de hoede van Leadbeater en zijn personeel kwam, veranderde hun toestand snel. Goede voeding, hygienische verzorging en smetteloos witte gewaden deden wonderen. Het haar van Krishnamurti, dat volgens Brahmaanse traditie in een staart boven op zijn hoofd groeide, terwijl de hoofdhuid verder kaalgeschoren was, groeide snel tot op zijn schouders, werd in het midden gescheiden en was dik en glanzend. Zijn tanden werden rechtgezet en langzaam maar zeker ontpopte hij zich tot een opvallende schoonheid. Bij Nitya was dat allemaal wat minder spectaculair maar dat nam niet weg dat hij Krishnamurti in intelligentie ver overtrof. Helaas werd hij geboren met een linkeroog dat bijna blind was en waar (althans toen) niets aan te doen bleek. Maar het was practisch niet zichtbaar. Hij had een grote charme en zij vormden samen een heel bizonder paar.
Waren zij echter niet in wezen twee weerloze schapen, die van de ene slachtbank naar de andere werden gevoerd? Zowel in de verstikkende wetten van de Brahmaansche traditie, als door het fanatisme van de Engelse theosofie, werden zij door machthebbers misbruikt. Wat moet er in een kind als Krishnamurti gebeurd zijn? Een angstig ziekelijk wezen van Oosterse signatuur, die van het rijke Westen te horen krijgt, dat hij bestemd is om de komende Christus te worden en daartoe onder onvoorstelbare druk wordt gezet? Wat wist deze knaap van de Christus? Wat moet daar in deze ziel hebben plaatsgevonden? Nooit zal men daar achter komen.

Natuurlijk zijn de occulte krachten die werkzaam waren in fenomenen als Madame Blavatsky, Annie Besant en Charles Leadbeater, kortom in de hele Theosofische Vereniging, veel te aantoonbaar en onontkoombaar, dan dat men zonder meer zou kunnen zeggen dat bijvoorbeeld Leadbeater zich in de uitverkiezing van Krishnamurti zou hebben ‘vergist’.
Men zal vergeefs zoeken in de wereldgeschiedenis naar een exemplaar van het menselijk geslacht dat, terwijl het door tienduizenden wordt aanbeden, bezittingen heeft over diverse continenten, totaal op eigen kracht met dit alles breekt. Het was omstreeks zijn drieëndertigste jaar in 1929. Heeft ooit een mens die zoveel macht bezat ‘zowel in de hemel als op aarde’, deze macht zo definitief teruggewezen? Hij wees het wereldleraarschap af, hij wilde geen volgelingen, geen rijkdommen. Hij wilde maar één ding: vrij zijn en mensen vrij maken maar alleen als zij dit zelf wilden. En gedurende zijn hele lange leven is hij hier nooit meer op teruggekomen. Deze absolute daad van afstand doen, van onthechting, is in mijn ogen een daad van goddelijkheid.

Een mens zou wel een bijzonder groot inlevingsvermogen moeten hebben wanneer hij zich, al was het maar bij benadering, zou kunnen voorstellen wat het moest inhouden voor twee Indiase knapen, schuw en verwaarloosd, om plotseling in de meest sophisticated kringen van de Britse society als vorst te worden ingehaald. Nog voordat Annie Besant het nieuwe ‘voertuig’ had ontmoet, was Leadbeater al bezig geweest met de vorige levens van Krishnamurti op te sporen. Iedere keer wanneer hij gedurende een uur zijn hand op Krishnamurti’s hoofd legde, kreeg hij een visioen van een vorige incarnatie. Hij sprak dan luid uit wat hij aanschouwde en zijn secretaris nam dat op in steno. In November van het jaar 1909 had Leadbeater reeds twintig levens ‘klaar’ en in het volgende jaar kwamen er nog tien bij. Deze ‘Thirty Lives of Alcyone’ begonnen te verschijnen in het tijdschrift The Theosophist in April 1910. Krishnamuri’s naam in elf van deze levens was Alcyone. De tijdsruimte waarin zich die incarnaties afspeelden strekte zich uit van 22662 voor Christus tot A.D. 664. Snel werd hiervan een boek uitgegeven, dat met groot succes werd verkocht. Annie Besant verscheen ook regelmatig in deze ‘Levens’ onder het pseudoniem van Heracles. Leadbeater was Sirius, Nitya Miras, Krishnamurti’s moeder figureerde als Omega, zijn vader als Antares, Hubert van Hook was ook een niet onverdienstelijk rolletje toebedeeld. Hij was Orion. Nog veel meer mensen werden onder pseudoniem in de ‘Levens’ gebracht en dit gaf aanleiding tot veel jaloezie en opschepperij. ‘Ben jij in de ‘Levens’?’ was een veelgehoorde vraag van theosofen aan elkaar. En, zo ja, ‘hoe dicht was jij dan met Alcyone verbonden?’ En iedereen was diep onder de indruk van de weergaloze helderziendheid van Leadbeater. In deze proeftijd werden de knapen ’s nachts als zij sliepen gedurende vijftien minuten in hun astrale lichamen ‘meegenomen’ door Leadbeater om de meesters in Tibet te bezoeken. Al spoedig werd Krishnamurti bij de Lord Maitreya toegelaten en de datum van zijn eerste inwijding vastgesteld op 11 Januari 1910. Hetgeen betekende dat de kandidaat als leerling door de meesters werd aangenomen.
Toen Krishnamurti op de ochtend van de bewuste elfde Januari weer in zijn lichaam ‘ontwaakte’, riep hij: ‘I remember, I remember!’ Van toen af aan beschreef hij in gebrekkig Engels, met de hulp van Leadbeater alles wat hij bij de Lord Maitreya had meegemaakt. Leadbeater heeft altijd bezworen dat dit Krishnamurti’s eigen woorden waren. Al deze ervaringen werden uitgegeven in een boekje, ‘At the Feet of the Master’, dat in dertig talen werd vertaald en nog steeds wordt herdrukt.

Annie Besant vertrok in 1911 voor de eerste keer met Krishnamurti en Nitya naar Engeland. Zij arriveerden in Londen op Charing Cross Station. Een grote massa volgelingen en nieuwsgierigen waren daar verzameld om ze te ontvangen. Allen verkeerden in intense opwinding, want iedereen wist dat Mrs. Besant Alcyone mee zou brengen. Het was dan ook geen geheim welke deze in de toekomst bestemd was te vervullen. Lady Emily Lutyens, die de verzorging van het tweetal op zich zou nemen, beschrijft haar eerste indruk van Alcyone: ‘Ik zag niemand anders dan hem. Een vreemde verschijning met enorme zwarte ogen die een lege blik hadden. Hij droeg een Norfolk jasje. Mrs. Besant had de grootste moeite om hem het perron over te krijgen zonder dat de menigte hem platdrukte.’ Vanaf dat moment werd ook het leven van Emily door hem bepaald. Zij verwaarloosde haar man en haar vijf kinderen, zij had hem hartstochtelijk lief, eerst als een moeder haar kind, toen als een volgeling zijn meester, en tenslotte, toen hij met alles en iedereen – dus ook met haar – gebroken had, als iemand die zij niet meer kon begrijpen en die al haar illusies en idealen in rook had doen vervliegen.
Er bestaan vele brieven van Krishnamurti uit die jaren, zowel aan Mrs Besant als aan Lady Emily, die behalve dat de taal uiteraard zeer gebrekkig was, naar mijn stellige indruk voortkwamen uit grote angst. In deze vrouwen zocht hij duidelijk de steun die een angstig opgejaagd kind zoekt bij zijn moeder. En allebei bezaten zij, misschien onbewust of ondanks het feit dat hij immers de Lord Maitreya moest worden, een grote moederlijke warmte en tederheid voor hem, zodat hij toch in de waanzinnige kermis waarin hij verkeerde een soort houvast aan hen had.

Het leven dat voor Krishnamurti en Nitya met hun aankomst in Londen begon, was dat van dure reizen, luxueuze hotels, chique appartementen, alle mogelijke soorten van blanke zowel als indiaase gouverneurs en butlers. Eén ding stond al spoedig vast, dat Nitya uitgesproken briljant was en al zijn examens moeiteloos aflegde. Hij sprak in korte tijd vloeiend Engels, terwijl Krishnamurti niet alleen dom was, maar ook lui en vooral belangstelling had voor motorrijden, tennissen, en alles wat technisch was. Wat niet wegnam dat de relatie tussen de broers altijd even harmonisch bleef en ze elkaar niet konden missen. Als de beide hindoeknapen met hoge hoeden en wandelstokjes volgens de laatste mode gekleed, één en al chic en élégance, door de dure buurten van Londen flaneerden, baarden zij groot opzien. Zij bezochten renbanen, theaters en vooral bioscopen. Maar het feit dat Krishnamurti dus niet in staat was om een klassieke Engelse opleiding te volgen, zelfs zakte voor de toelatingsexamens voor Oxford en Cambridge, had toch tot gevolg dat Nitya in Londen moest studeren en dat Krishnamurti dan weer hier en dan weer daar bij rijke theosofen uit logeren werd gestuurd, die hem natuurlijk enerzijds vereerden, maar anderzijds geen raad met hem wisten.
Annie Besant en Leadbeater waren in die tijd hoofdzakelijk in het buitenland om de vereniging ook daar te doen bloeien en groeien en de komst van de Lord Maitreya voor te bereiden. De relatie tussen de komende Lord en zijn ‘dienaren’ werd echter duidelijk minder innig. Krishnamurti en Leadbeater schreven elkaar helemaal niet meer. Leadbeater heeft in die tijd in Amerika gezegd dat de ‘coming’ niet door ging. Hij bleek bovendien in Adyar inmiddels al weer een nieuw ‘voertuig’ te hebben gevonden, een dertien jaar oude schoonheid, Rayagopal, die volgens Leadbeater in zijn laatste leven Bernardus van Clairveaux was geweest en in zijn volgende incarnatie een Boeddha zou worden, dus hoger dan Krishnamurti. Deze Rayagopal zou veel later de secretaris van Krishnamurti worden.
Toen de wereldoorlog uitbrak in 1914 wilde Krishnamurti niets liever dan als vrijwilliger dienst nemen. Maar dit werd hem door Annie Besant ten strengste geweigerd. Nitya was in die tijd bezig een bedrijf op te bouwen dat zich toelegde op het importeren van vrachtauto’s en tractoren naar India. Maar ook dat werd hem verboden. Hij mocht zich alleen op zijn studie concentreren.
Men kan ook duidelijk waarnemen dat vanaf het moment dat een schatrijke invalide theosofe, Mary Dodge, Krishnamurti een vast jaargeld ter beschikking stelde voor zijn hele verdere leven, hij duidelijk in de toon van zijn brieven onafhankelijker en zelfstandiger wordt. Hij gelooft nog wel in de meesters, maar verzet zich tegen dingen in de Theosofie die hij als ‘monsterlijk’ ervaart. Af en toe begint hij bij bepaalde theosofische samenkomsten te spreken en wekt daarbij nogal wat opschudding. Maar dan komen er moeilijkheden. Nitya die altijd al aan zijn ogen leed, begint nu ernstige pijnen te krijgen, gepaard gaande met krampen in zijn hoofd. Hij mag nog maar een uur per dag studeren en Krishnamurti maakt zich ernstige zorgen. En dan begint in 1922 in Ojai in Californië het vreselijke proces waarbij Krishnamurti dagenlang aan een vreemde en angstwekkende marteling is overgeleverd, waarna hij nooit meer dezelfde zal zijn. Dit gaat met tussenpozen jarenlang door. Als hij voor de eerste keer na drie dagen en nachten over de grond te hebben gekropen en het uitgejammerd te hebben weer tot zichzelf komt, wankelt hij naarbuiten, gaat onder een Boeddhiboom zitten en stamelt: ‘I am God-intoxicated.’

De komende jaren worden steeds problematischer. In de eerste plaats omdat Krishnamurti duidelijk kritischer wordt ten aanzien van de hem omringende theosofische wereld. (Hoewel, merkwaardig genoeg, de verhouding tussen Annie Besant en hem altijd liefdevol is gebleven. Ook na zijn ontbinding van de Orde van de Ster van het Oosten heeft hij altijd geprobeerd, althans in hun persoonlijke relatie, om haar gevoelens zoveel mogelijk te sparen. In zijn brieven noemde hij haar tot aan haar dood: ‘Amma’ en ‘Mijn eigen liefste moeder.’ En toen zij volkomen dement was zat hij aan haar bed en zong voor haar.) Hij begint meer openbare voordrachten te houden en ook administratief werk te doen. Tenzij hij weer door een nieuw stadium van het ‘proces’ wordt gepakt.
Daarbij komt dat Nitya om de haverklap bloed opgeeft en blijkt tuberculose te hebben. Daaraan is het dan ook dat hij in 1925 sterft.
In die zomer was Krishnamurti met hem in Californië. Maar toen wilde Mrs. Besant dat Krishnamurti naar India ging om daar voordrachten te houden. Hij vertrok met grote tegenzin omdat hij bij zijn broer wilde blijven. Van alle kanten werd hem echter verzekerd dat de Meesters Nitya zouden doen genezen. Toen het schip waar hij op voer, de ‘Ormuz’, op 13 November het Suez kanaal bereikte, kwam s’nachts in een vliegende storm een telegram waarin de dood van Nitya werd vermeld.
Een week lang verkeerde Krishnamurti in een onbeschrijfelijke staat. De mensen die met hem op het schip waren, hoorden hem snikken en kreunen en roepen om Nitya, dikwijls in zijn geboortetaal, het Teluga, wat hij als hij bij bewustzijn was niet meer kende. Eindelijk sprak hij de eerste woorden: ‘Mijn broer en ik zijn één. Op het fysieke plan konden we gescheiden worden, maar van nu af aan zijn we onafscheidelijk. Als Krishnamurti heb ik nu een groter doel, groter vertrouwen en meer liefde, want het Wezen van Nityanda is nu ook het mijne.’
Krishnamurti had een innerlijke revolutie doorgemaakt. Vrienden die hem van de boot kwamen halen, zeiden dat hij van een magistrale schoonheid was en dat zijn ogen straalden.
De werkelijke Krishnamurti was geboren.

In de vier jaren die lagen tussen de dood van zijn broer en de ontbinding van de Orde van de Ster, wist Krishnamurti zich totaal te bevrijden. Niet alleen uit de kerkers van de theosofische onderwereld, maar van alles wat de mens vanaf zijn ontstaan in de verre oudheid in boeien en kettingen geslagen had. Enerzijds zijn instinct tot macht dat hij zowel op de meest gewelddadige als op de meest subtiele manier tracht te bevredigen, anderzijds zijn instinct om bedevaartsoorden te stichten en later tempels, kerken en kathedralen om daar in georganiseerde systemen zijn goden te aanbidden.
Krishnamurti werd een geniaal ziener, een groot spiritueel leraar die iedere autoriteit afwees. Hij noemde zichzelf een gewone man (just the chap on the platform), een wegwijzer waarbij men niet stil moest blijven staan. Gedurende zestig jaren leerde deze ‘gewone man’ met ongewone konsekwentie en in een formidabel pregnante taal dat de mens zich alleen vrij kan maken van begeerte, jaloezie en machtsdrift, die allen tot vijandschap leiden, door de weg van de zelfkennis te gaan.
In zijn toespraak in Ommen in 1928 zei hij onder andere, toen al vooruitlopende op het ontbinden van de Orde van de Ster: ‘Ik wil geen volgelingen, ik verafschuw het idee dat iemand zich mijn discipel zou noemen. Wees liever de discipel van het begrip dat het resultaat is van diep denken en liefde. Wees de discipel van je eigen begrip. Mrs. Besant die zichzelf nog een jaar tevoren zijn ‘toegewijde discipel’ had genoemd, moest nu horen dat hij het idee van discipelschap afwees. Het volgende jaar, het grote beslissende jaar, zat zij gedurende zijn toespraak niet zoals anders naast hem op het podium, maar op de grond achter in de zaal. Kort daarna stortte zij in en verloor totaal haar geheugen. Zij leefde nog tot 1934. Sommige theosofen beweerden dat dat het gevolg was van de schokken die zij de laatste jaren door de ontwikkeling van het voertuig van de Lord – want daarin geloofde zij nog steeds – had moeten doorstaan.

In zijn toespraak van 1929 zegt hij onder andere: ‘Vrienden, vraag niet wie ik ben, je zult het nooit weten. Als ik zeg dat ik de Christus ben maken jullie een nieuwe autoriteit. Als ik zeg dat ik het niet ben, kreëren jullie een andere. Denken jullie dat waarheid iets te maken heeft met wat jullie denken dat ik ben? Jullie zijn niet geïnteresseerd in de waarheid, maar in het vat dat de waarheid in zich draagt. Jullie willen het water niet drinken, maar willen de bron onderzoeken waar het water uit tevoorschijn komt. Drink het water als het zuiver is. Ik zeg tot jullie: ik ben het zuivere water. En jullie vragen mij: wie ben je?’
‘Noch Boeddha noch Christus hebben ooit goddelijkheid voor zich opgeëist of gewenst een religie te stichten. Het zijn hun volgelingen die dat deden, na hun dood.’

Nadat ik mij vanaf mijn twintigste jaar in Krishnamurti heb verdiept en enige persoonlijke ontmoetingen met hem heb gehad, kwam ik in de jaren zestig in aanraking met Rudolf Steiner. En hoe meer ik mij met hem bezighield, hoe vaker de gedachte bij mij opkwam dat, als Steiner nú geleefd had, hij veel dingen precies hetzelfde gezegd zou hebben als Krishnamurti. In de eerste plaats ben ik ervan overtuigd dat de meer dan een halve eeuw die ligt tussen datgene wat Steiner toen zei en wat hij nu zou zeggen, een niet in woorden uit te drukken verschil maakt. Laten we alleen maar de tweede wereldoorlog en het vernietigen van zes miljoen joden noemen. Ieder mens die zich uitsluitend blijft oriënteren op de uitspraken van Steiner van toen, heeft in mijn ogen niets meer met Steiner te maken. Steiner heeft ook altijd beweerd dat Antroposofie vóór alles verandering betekent. In zijn voordrachtencyclus Die Sturz der Geister der Finsternis zegt hij: ‘De realiteit is, dat er in de wereld niets bestaat dat absoluut genoemd kan worden. Voor de mensheid is niets schadelijker dan het geloof in absolute idealen omdat deze de ontkenning vormen van de ontwikkeling van de mensheid. Wat vandaag de waarheid is, is morgen een leugen.’
En in de Philosophie der Freiheit formuleert hij zijn motief tot handelen aldus: ‘Slechts wanneer ik mijn liefde tot het object volg, dan ben ik het zelf die handelt. Ik handel op deze trap van moraliteit niet, omdat ik een macht boven mij erken, niet de uiterlijke autoriteit, niet een zogenaamde innerlijke stem. Ik erken voor mijn handelen geen uiterlijk principe, omdat ik in mijzelf de grond van het handelen, de liefde tot de daad, heb gevonden. Ik ga niet met mijn verstand te rade of mijn daad goed of slecht is; ik breng haar ten uitvoer omdat ik haar uit liefde doe. Zij wordt ‘goed’, wanneer mijn in liefde gedompelde intuïtie zich op de juiste wijze in de intuïtief te beleven samenhang der wereld invoegt, ‘slecht’, wanneer dit niet het geval is. Ik vraag mij ook niet af: hoe zou een ander in mijn geval handelen? doch ik handel zoals ik, deze op-zichzelf-gestelde-individualiteit naar omstandigheden wil. Geen algemene plichtplegingen, geen algemene zede, geen conventie.’
Dit alles zou evengoed van Krishnamurti hebben kunnen zijn. Mijn persoonlijke overtuiging is, en daar komt eigenlijk dit hele artikel uit voort, dat Steiner en Krishnamurti, deze twee Reuzen van de Geest, die in wezen een totaal nieuwe mens aankondigen, fundamenteel met elkaar verwant zijn. Want wat doet Krishnamurti anders dan appelleren aan wat Steiner omschreef als de ‘bewustzijnsziel’? En wat voor hen beiden eigenlijk de basis vormt van de manier waarop de mens zich van de totale waan waarin hij leeft zou moeten bevrijden, is het overal terugkomende: leer jezelf kennen, dan leer je de wereld kennen; leer de wereld kennen, dan ken je jezelf.
Steiner zegt bijvoorbeeld over de zelfkennis (in zijn boekje Een weg naar Zelfkennis): ‘De dwaling waarin men leeft, is een deel van het zieleleven zelf geworden. Men ís de dwaling. Men kan de fout niet eenvoudig verbeteren, want men mag denken zoals men wil, de fout is er, is een deel van de werkelijkheid en wel van de eigen werkelijkheid. Een dergelijke belevenis heeft iets vernietigends voor het eigen zelf. Men voelt zijn innerlijkheid smartelijk teruggestoten door alles, waar men naar verlangt. Deze smart overtreft verreweg alles, wat men in de zintuiglijke wereld aan smart kan ondervinden. En daarom kan deze ook uitgaan boven alles waar men tegen opgewassen was door het zieleleven dat men tot nu toe had. De ziel staat voor de bange vraag: waar moet ik de krachten vandaan halen om te verdragen wat mij daar is opgelegd? En zij moet binnen haar eigen leven deze krachten vinden. Dergelijke krachten krijgt men alleen door ware zelfkennis.’
Krishnamurti hield op dit gebied zijn luisteraars een onbarmhartiger spiegel voor. Een toehoorder die zich verstoutte om te beweren, dat zijn leven gericht was op het zoeken naar waarheid, kreeg ten antwoord: ‘The truth? The truth will be a kick in the pants, Sir!’
Steiner zegt in zijn Credo (Der Einzelne und das All): ‘Wat uit de zinnelijkheid, de driften, begeerte en hartstocht voortkomt, komt uit het egoïstische individu. Daarom moet de mens dit zelfzuchtige willen in zichzelf doden. Laat het egoïsme verdwijnen en volg slechts de stem van de idee in jezelf, want dat is het goddelijke. Wij zijn in die mate onsterfelijk, voorzover wij het zelfzuchtige in ons laten sterven. Het sterfelijke in ons is de zelfzucht. Dat is de ware betekenis van de uitspraak: “Wie niet sterft, vóórdat hij sterft, die bederft als hij sterft”. Dat betekent, wie niet het egoïsme in zich laat ophouden wanneer hij leeft, heeft geen deel meer aan de onsterfelijkheid. Diegene is nooit geweest, heeft geen waarachtig wezen gehad.’ In de karmavoordrachten voegt hij daar als het ware nog aan toe: ‘De mensen gaan met veel meer haat, of op zijn minst veel meer antipathie door de wereld dan zij denken.’
Krishnamurti zegt onder andere in dit verband: ‘Wij zijn agressief, gewelddadig, jaloers en vol haat. Wij doden en martelen om te overleven, zoals wij dat altijd gedaan hebben. Niets in de menselijke natuur is door de beschaving veranderd. Alles waarvan wij denken dat het leven is, is het leven niet.’ Zijn meest kernachtige formulering omtrent dit thema luidt: ‘You think you love, but you hate.’
Steiner spreekt in zijn boekje, Hoe werken de Engelen in ons Astrale Lichaam? over de Romeinse kerkvader Tertullianus, die leefde in de derde eeuw na Christus: ‘Hij is vooral door onze materialistische cultuur veracht vanwege een uitspraak die men verschrikkelijk vindt: “Credo quia absurdum est.” (Ik geloof datgene wat dwaas is, en niet datgene wat verstandig is.) Hij heeft zijn belijdenis aldus tot uitdrukking gebracht: “Gekruisigd werd de Zoon van God. Dat is geen schande, omdat het schandelijk is. Gestorven is hij aan het kruis, daarom is het geloofwaardig omdat het dwaas is. En Hij die begraven was, is opgestaan. Wij moeten het geloven, omdat het onmogelijk is.”‘
Krishnamurti zegt in verband met datgene wat mogelijk en onmogelijk is: ‘Iedereen staat altijd klaar om bij ieder idee of voorstel, dat niet tot het bekende patroon behoort, onverwijld te roepen: “Maar dat kan toch niet! Dat is immers onmogelijk! Dat doet toch niemand!” Ik vraag jullie, hebben jullie het ooit geprobeerd? Je zegt: “Het kan niet,” daarmee heb je meteen iedere mogelijkheid uitgeschakeld. Ik zeg jullie: alleen het onmogelijke kan jullie redden.’
Steiner spreekt in zijn Marcus-Evangelie over de grote toespraak van Gautama Boeddha te Benares. ‘Wat spreekt hij daar uit? Dat het hele streven van de mens erop gericht moet zijn, vrij te worden van het verlangen naar reïncarnatie, vrij te worden van de hang naar het stoffelijke bestaan, het eigen zelf zoveel mogelijk te vervolmaken, door het te bevrijden van alles wat het verbindt met het leven van de zintuigen. Het moet zich gaan verbinden met datgene wat samenhangt met zijn goddelijk-geestelijke oorsprong.’
In de grootse toespraak van 1929, staat Krishnamurti daar eigenlijk als een moderne Boeddha. Hij nam afscheid van de wereld met alle schatten die zij hem bood. De laatste woorden van die toespraak waren: ‘Het enige wat ik wil is, dat de mens vrij wordt. Absoluut, onvoorwaardelijk vrij.’
Misschien heeft het nog wel zin om te vermelden in verband met de overeenkomsten tussen Steiner en Krishnamurti, dat ook Steiner tot zijn dood een warme persoonlijke relatie met Annie Besant bleef onderhouden, in weerwil van zijn breuk met de Theosofische Vereniging. Ook hij was dus kennelijk, net als Krishnamurti, overtuigd van haar integriteit. Zoals zij het was van de hunne. Tot aan haar dood.

Eén van de oorzaken van de verschillen tussen Steiner en Krishnamurti ligt volgens mij in het feit, dat Steiner nog hoop had voor de mensheid (althans vóór de z.g. Weihnachtstagung). Krishnamurti had dat niet. Hij zei: ‘Er is heen hoop voor de mensheid. Wel voor jou en voor mij als individu. Maar er is geen hoop voor georganiseerde systemen. Niet in religieuze, niet in politieke zin.
Steiner zegt in De Dood een andere Vorm van Leven: ‘Wanneer Christus gezocht wordt, niet waar de kerken hem zoeken, maar waar Hij in werkelijkheid te vinden is, namelijk in het gebied van het lot, daar zal men Hem vinden.’ Krishnamurti: ‘De verlichting is daar, waar je bent.’

Er zijn nog veel meer overeenkomsten, maar de beschikbare ruimte om daarop in te gaan, is hier te beperkt.

Krishnamurti_Webarchief_OudOmmen

Krishnamurti heft de orde van de ster op

In 1911 had Steiner Krishnamurti in Genua kunnen ontmoeten. Alles was geregeld, maar op het laatste moment liet Annie Besant het theosofisch congres dat daar gehouden zou worden, afzeggen. Wie weet wat het teweeg zou hebben gebracht als Steiner en Krishnamurti elkaar toen in de ogen hadden kunnen zien?
Rom Landau, een engels auteur die een boek over Krishnamurti schreef en in 1935 een lang gesprek met hem had, vroeg hem bij die gelegenheid naar diens mening over Rudolf Steiner. Krishnamurti zei toen: ‘Het spijt me dat ik hem nooit heb ontmoet en zo weinig over hem weet. Alles wat ik van hem weet, vernam ik van Mrs. Besant. Zij had een grote bewondering voor zijn ongewone capaciteiten.’ -‘Maar,’ zegt Landau even later, ‘toen we uit het gedoe van de mensen om ons heen waren, sprak Krishnamurti nog over Steiner, ik denk voor de eerste en laatste maal in zijn leven, als over “Een, die ons allen overtreft en die zijn weg naar Golgotha moest gaan”.’